Bezig zijn met balans.

Balans

In de video van vorige week hebben jullie gezien hoe we Exilio aan de longe lieten draven met de Equiband®. Ik heb kort uitgelegd hoe de Equiband® helpt in de training van een betere balans.

Maar wat is nu eigenlijk een betere balans? Hoe beoordeel je dat? En waarom zou je dat willen trainen?

In de dressuursport wordt algemeen hoog gepunt als een paard met royale, spectaculaire gangen door de baan gaat. En dus wordt er door veel ruiters getraind op royaal en spectaculair beengebruik, want winnen doen we graag, en winstpunten en hoge percentages rijden is toch een doel in de sport, laten we eerlijk zijn.

Maar als je alleen maar wedstrijdgericht traint, train je eerlijk gezegd heel eenzijdig. Er is geen andere sport te bedenken dan de dressuursport waarin zoveel op performance, op de wedstrijd zélf wordt getraind als in de ruitersport. In veel humane sporten wordt veel meer aandacht besteed aan de voorwaarden waarmee je die performance neerzet of die wedstrijd speelt: kracht, souplesse, uithoudingsvermogen, techniek. En dus bestaat er krachttraining, lenigheidsoefeningen, conditietraining en technische training. Nou hoef je bij een dressuurpaard het uithoudingsvermogen niet specifiek te trainen, want dat hebben paarden van nature ruim voldoende, maar kracht en souplesse zul je wel heel specifiek moeten trainen, en misschien nog wel extra als je een bewegingswonder van nature hebt. Kracht en souplesse zijn voorwaarden voor balans. Hoe je kracht en souplesse traint, leg ik hieronder uit aan de hand van vragen uit de lespraktijk. Ik probeer het kort te houden want het onderwerp is in feite zo omvangrijk, dat er ook 5 meter literatuur aan gewijd kan worden. Ik ga dus niet volledig zijn, maar ik wil je wel aan het denken zetten over je training.

(Techniektraining voor een paard valt naar mijn idee onder de leertheorie – een onderwerp dat sterk samenhangt met dit onderwerp – maar daar kom ik in een ander blog wel een keer op terug.)

“Mijn paard heeft van nature hele mooie gangen, hij is lenig en hij is bergopwaarts gebouwd. Als ik mijn oefeningen vraag, dan doet hij dat gewoon. Hoef ik dan toch verder niet moeilijk te doen?”

Zolang als het duurt. Een eenzijdige training leidt vroeger of later tot overbelasting en dus tot blessures. Vooral paarden die van nature heel lenig zijn, lopen dit risico. Om dat verband te zien, is het belangrijk om even stil te staan bij hoe een paard gebouwd is.

We beginnen bij de achterhand. Achterbenen en bekken vormen samen een solide constructie van botten. Vanuit dat bekken begint de wervelkolom en aan de voorkant zit het hoofd vast. Onderweg komen we ribben tegen en  schouderbladen met voorbenen eraan. Die schouderbladen zijn slechts met spieren aan die ribbenkast bevestigd, en niet met botten. De voorbenen en de schouders vormen dus lang zo’n stevige constructie niet als de achterbenen met het bekken. Voor een vluchtdier dat het paard is, en de manier waarop hij van nature vlucht, is dat functioneel. Maar zodra je er op gaat zitten, is dat helemaal niet functioneel: alsof je op een tafel gaat zitten met twee loszittende poten. Bovendien is de wervelkolom kwetsbaar omdat die precies doorzakt op de plaats waar we gaan zitten. Bij lenige paarden nog meer dan bij stugge paarden. Eerlijk gezegd: de constructie van een paard is niet gemaakt en niet geschikt om op te gaan zitten.

 

Dus als we dan toch op paarden willen rijden, zullen we ze geschikt moeten máken.

 

Dat is de reden waarom in de oudheid dressuur is uitgevonden, omdat die paarden toch wel handige dieren waren om gebruik van te maken voor doeleinden als transport, jacht en oorlog. En het mooie is: men wilde die paarden heel houden, want ook in die tijd waren het kostbare dieren. Hoe men door de eeuwen heen naar dierenwelzijn keek, weet ik eerlijk gezegd niet, maar in onze tijd is alleen paardenwelzijn al voldoende reden om de paarden heel te willen houden. Om blessures en ongemak te voorkomen.

Al is een paard nog zo mooi en evenwichtig gebouwd met een horizontale romprichting, een mooi front en correcte beenstanden, dan wil dat nog niet zeggen dat het paard per definitie in balans bewéégt met een rúiter op zijn rug. Zodra we op die rug gaan zitten, verstoren we hoe dan ook de natuurlijke balans van een paard: om te beginnen zakt de wervelkolom in waardoor je aan de bovenkant verhoogde druk en aan de onderkant verhoogde rek op de structuren krijgt. Dan praat je al over een verhoogde belasting wat door de tijd kan ontwikkelen tot overbelasting – wat zich bijvoorbeeld uit in synovitis van de facetgewrichten – en afwijkingen van de wervelkolom zoals kissing spines. Doe je nog niets geks. Vergeet je alleen de spieren te ontwikkelen die de wervelkolom stabiel houden. Train je alleen op grote bewegingen, dan spreek je deze stabiliteitsspieren in ieder geval níet aan. Daarvoor is een andere manier van rijden nodig.

 

Laten we eens kijken naar de natuurlijke balans van een paard.

 

Als een paard van nature de wending in gaat, gooit hij zijn schouder in de gewenste richting en zijn hals – om evenwicht te bewaren – in tegengestelde richting. Moet je voorstellen dat een paard zo door de wending gaat met een ruiter op zijn rug: hij zou omvallen. Wij leren dus een paard met stelling en buiging door de wending te gaan, zodat hij niet schuin door de bocht gaat, maar de rug en hals (de wervelkolom) recht boven de grond houdt. Zo kunnen we rechtop op ons paard blijven zitten in de wending en zo werken we al voor een groot gedeelte aan de rijtypische balans. Echter de natuurlijke neiging van een paard om de schouder naar binnen te gooien en de hals de andere kant op, blijft wel bestaan. Ongemerkt duwt hij het schouderblad wat naar binnen, waardoor het binnenvoorbeen extra wordt belast. En omdat de natuurlijke neiging om de hals naar buiten te bewegen, tegengesteld is aan wat de ruiter vraagt, ontstaat er toch wat frictie in de regio van de lage halswervels. Hele soepele paarden zijn hier weer beter in dan stuggere paarden.

Is dat erg? Ja, uiteindelijk is dat ongewenst. Extra belasting van structuren, frictie in gewrichten kan allemaal leiden tot overbelasting en blessures.

“Dus als we op een paard gaan zitten, zakt de wervelkolom in en veroorzaken we scheve belasting die tot blesssures kan leiden? Hoe kun je die blessures dan voorkomen?”

Goeie vraag! De belangrijkste vraag die gesteld moet worden als je gaat paardrijden. Door ervoor te zorgen dat je paard een goede balans ontwikkelt onder het zadel: dat is je basistraining.

 

Balans

Bij een verticale balans kun je een loodlijn trekken door de benen en door het midden van het hoofd.

 

Dat begint allereerst met de verticale balans: zorg ervoor dat het paard het totale gewicht evenredig verdeelt over de linkerzijde en de rechterzijde van zijn lichaam. Het is hierbij belangrijk dat je kunt voelen dat je de schouders voor de heupen plaatst. Nou loopt het lichaam van het paard van achteren naar voren iets taps toe, dus helemaal precies is het niet, maar wanneer je rechtuit rijdt, kun je de as tussen de schoudergewrichten parallel houden aan de as tussen de heupgewrichten. In de wending vraag je stelling en buiging op zo’n manier dat je deze assen horizontaal houdt, en niet diagonaal. De verticale as door het midden van de benen valt op deze manier te allen tijden loodrecht op de grond. Sterker nog: vanuit elke wervel moet je steeds een loodlijn kunnen laten vallen. Assen? Loodlijnen? Lijkt wel wiskunde! Exact. Dat is precies wat het is. Bio-mechanica. Bewegingsleer volgens natuurkundige wetten.

 

Maar weet je wat het mooie is?

 

Als je paard in verticale balans beweegt, dus loodrecht boven de grond, “hangt” de wervelkolom als het ware los in het midden van zijn lichaam. En pas dan kan een paard nageven. Dat kan hij niet als er ergens nog een kronkel zit, of frictie, of scheefheid! Ja, hij kan wel in de krul lopen, maar dat is nog geen nageven. Loslaten in alle gewrichten van de wervelkolom, te beginnen bij het spronggewricht over de bovenlijn naar het kaakgewricht toe, dat is pas nageven. Dus controle over je richting – je verticale balans in orde hebben – is een hele belangrijke voorwaarde om je paard te laten nageven.

“Mijn paard pakt links altijd het bit vast.”

Kan het paard een bit vastpakken? Ga maar eens kijken in de mond of dat kan. Veel waarschijnlijker is het dat het gevoel dat hierbij hoort, veroorzaakt wordt doordat het paard teveel op linksvoor steunt, en daarmee de spieren aanspant die vanuit die schouder verbonden zijn met kaak en nek. Het paard is verticaal dus niet in balans. En dus niet nageeflijk. Zet die schouder maar recht, en je zult voelen dat hij dat laatste stukje ook los laat.

Die verticale balans is dus een voorwaarde voor nageeflijkheid en iets wat je in elke oefening checkt: heb ik het nog voor elkaar? Vind je het moeilijk om te beoordelen of je paard in een verticale balans beweegt? Check dan de gevolgen ervan: takt, ontspanning, nageeflijkheid.

Daarna begint het echte werk pas. Want als het paard is losgelaten in de wervelkolom, kunnen we pas echt gaan werken aan balans: aan rompstabiliteit op basis van spierkracht. Core stability training! Meerdere spiergroepen zijn hiermee gemoeid. Vaak worden de buikspieren genoemd en de spieren van de achterhand maar dat is de eenvoudige versie. Er zijn nog veel meer spieren mee gemoeid. Waar het hierbij om gaat, is dat je het paard van achteren naar voren in verbinding rijdt. We praten hier over de horizontale balans.

 

Balans

Naar een horizontale balans toe. De richting van protractie van het voor- en achterbeen zijn gelijk, evenals de richting van de retractie. De horizontale balans blijft altijd in ontwikkeling tot de hoogste graad van verzameling. Dit is het begin.

 

De juiste verhouding tussen activiteit van het achterbeen en het gereden tempo zijn hierbij de belangrijkste voorwaarden. “Het kantelen van het bekken” komt uit deze verhouding voort. En dat klopt, maar dat is ook weer de eenvoudige versie. Het gaat erom dat het paard dankzij deze verhouding zijn rug zodanig kan gebruiken dat hij de impuls vanuit het achterbeen kan laten doorvloeien door de wervelkolom waarbij hij de diep gelegen spieren rondom die wervelkolom zo kan aanspannen zodat die wervelkolom niet langer belast wordt door het ruitergewicht. Alle bewegingsspieren erom heen worden op deze manier eveneens van achteren naar voren geactiveerd: van aanhechting naar oorsprong, van insertie naar origo. Een klassiek adagium uit de dressuur, bedoeld om paarden heel te houden. Om overbelaste aanhechtingen te voorkomen. Deze manier van rijden – met optimaal spiergebruik – traint dus de kracht die je nodig hebt voor een goede balans. Even los van je rechte lijnen en voltes, is de schouderbinnenwaarts een hele effectieve oefening om deze kracht te ontwikkelen.

 

“Mijn paard loopt altijd zo te duwen in mijn hand, heb je daar geen bit voor?”

Een paard dat in de hand duwt, beweegt niet op de juiste manier van achteren naar voren. Hij is dan óf niet actief genoeg in het achterbeen, óf het tempo is te hoog: kortom je hebt dan nog niet de juiste verhouding tussen activiteit en tempo te pakken, waardoor het paard nog niet goed in de horizontale balans beweegt. Wanneer heb je nou die juiste verhouding wel te pakken? Als jij een fijn licht verend contact in de hand hebt, ben je goed bezig. En weet je wat ook een mooie check is? Als je een ophouding maakt en je voelt het achterbeen onder je doorkomen terwijl hij zich opvangt. Dan weet je ook dat het goed is.

“Om een paard kracht te laten ontwikkelen moet je er dus voor zorgen dat hij eerst verticaal in balans gaat, en dan horizontaal?“

In principe is dat waar, hoewel je de verticale en horizontale balans niet helemaal los van elkaar kan zien. Horizontale balans zonder verticale balans is niet mogelijk, maar je kunt prima een lichte training als afwisseling in je programma inlassen waarbij je alleen focust op verticale balans. Omdat je dan geen aanspanning of verbinding hebt, is het belangrijk dat je je teugelcontact heel licht hebt. Wanneer je bezig bent met het optimaliseren van je horizontale balans en verzameld werk aan het doen bent, ben je bezig met krachttraining en dan mag het teugelcontact soms wat zwaarder zijn. Op 2 voorwaarden: dat de verticale balans top is (dus een losgelaten wervelkolom) en dat het contact naar voren is gericht, naar de mond toe.

“Maar hoe zit het dan met souplesse? Dat was toch ook een voorwaarde voor balans?“

Dat klopt! Hiervoor gelden eigenlijk dezelfde principes. Als het paard niet verticaal in balans is en dus nog niet helemaal los in de wervelkolom, heeft het weinig zin om te gaan rekken en strekken voor meer lenigheid. Grote kans dat je teveel druk of rek zet op structuren die daar niet zo goed tegen kunnen. Eerst lossigheid en nageeflijkheid, dan pas lenigheidsoefeningen. En een paard wordt alleen maar leniger en soepeler door de oefeningen met buiging te herhalen. Je kunt dat niet afdwingen met druk: je krijgt dan alleen maar een tegengestelde reflex in het lichaam van het paard. De stap is een fijne gang om te beginnen met gymnastiserende oefeningen. Als het goed gaat in de stap, ga je verder in de draf en de galop.

“Mijn paard kan geen schouderbinnenwaarts in stap, in de proef hoeft het toch ook alleen in draf?“

Dan is het helaas geen schouderbinnenwaarts wat je rijdt. Als een paard kan buigen op een rechte lijn in draf, dan kan hij dat zéker in stap. Anders gaat er iets niet goed in de training van de souplesse van je paard. En dat is ook vaak wat er scheelt. Het paard gaat schuin over de hoefslag, en door de snelheid van de draf en de scharende benen lijkt het schouderbinnenwaarts. Maar als de buiging ontbreekt, heb je de essentie van de oefening gemist. En dan praten we weer over balans: is er onvoldoende sprake van souplesse? Met andere woorden: zijn de spieren stijf? Of is er geen sprake van verticale balans, waardoor het paard niet echt nageeft, en dus ook zijn spieren niet optimaal kan gebruiken?

Als je zo gaat redeneren, ben je bezig met balansvraagstukken. Dan herhaal je niet de schouderbinnenwaarts 20 keer totdat die goed gaat, maar stel je jezelf de vraag welk aspect van de schouderbinnenwaarts niet goed gaat. Als het paard niet wil buigen, kan het zijn dat hij stijf is. Maar veel vaker gebeurt het dat de verticale balans nog onvoldoende is om hem goed in de horizontale balans te krijgen die de schouderbinnenwaarts vraagt. Hij kan dan simpelweg zijn lijf niet loslaten, niet ontspannen in die beweging. De oefening op deze manier veelvuldig herhalen in de hoop dat het paard het een keer gaat leren, is een formule die vroeger of later leidt er tot blessures. Aandacht voor de manier waarop het paard zijn schouders plaatst en de mate van buiging onder het zadel zet meer zoden aan de dijk.

 

Bezig zijn met balans. Dat is bezig zijn met de essentie van dressuur.

 

Dat is je paard geschikt maken om op te rijden. Recreatief rijden paardvriendelijker dan dressuur? Helaas. Dressuur is ook voor recreatieruiters essentieel. En heel eerlijk? Als jij traint volgens de principes van balans, kan dat rondje voor de fokker, of dat showelement in die dressuurproef helemaal geen kwaad. Daar gaat hij echt niet stuk van, in die vijf minuten dat dat duurt. En weet je? Dat showelement komt pas echt tot zijn recht als die balans dik in orde is. Om spectaculair te kunnen rijden, train je dus op balans. Dan heb je geen open mond of een tong eruit. Geen oren naar achteren en geen zwiepende staart. Dan is elke foto correct.